Cuba Revolutie



Na een geslaagde staatsgreep van generaal Fulgencio Batista op 10 maart 1952 tegen de regering van Carlos Prío Socarrás daagde Fidel Castro generaal Batista voor de rechter vanwege schending van de grondwet, maar dit liep op niets uit. Daarom besloot Castro om in opstand te komen tegen de regering van Batista. Om hun eerste slag te slaan tegen de regering verzamelden Fidel en Raúl Castro strijders voor meerdere aanvallen op militaire locaties. Op 26 juli 1953 vielen de rebellen tevergeefs de Moncada kazerne in Santiago en de kazerne in Bayamo aan. Het exacte aantal rebellen die in de strijd zijn gedood is niet duidelijk. Echter, in zijn autobiografie beweerde Castro dat negen in de gevechten werden gedood en 56 werden geëxecuteerd nadat ze door de overheid van Batista gevangen genomen waren. Onder de doden was Abel Santamaría, Castro's tweede-in-bevel. Hij werd op dezelfde dag van de aanval nog gevangen, gemarteld en geëxecuteerd.
De rebellen, Fidel en Raúl Castro werden kort daarna gevangen genomen. In een sterk politiek getint proces sprak Fidel gedurende bijna vier uur zijn verdediging uit, die eindigde met de woorden "Veroordeel me, het maakt niet uit. De geschiedenis zal mij vrijspreken." Fidel werd veroordeeld tot 15 jaar in de Presidio Modelo gevangenis, gelegen op Isla de Pinos, terwijl Raúl werd veroordeeld tot 13 jaar. Echter in 1955 liet de Batista regering, onder grote politieke druk, alle politieke gevangenen in Cuba vrij, met inbegrip van de Moncada aanvallers, Fidel en Raúl.
Kort daarop bereidden de gebroeders Castro samen met andere ballingen in Mexico de omverwerping van Batista voor. Ze werden getraind door Alberto Bayo, een leider van de Republikeinse krachten in de Spaanse Burgeroorlog. In juni 1955 ontmoette Fidel de Argentijnse revolutionair Ernesto 'Che' Guevara , die zich bij zijn beweging aansloot. De revolutionairen noemde zichzelf de "Beweging van de 26ste juli" (Movimiento 26 de Julio, afgekort: M-26-7), een verwijzing naar de datum van hun aanval op de Moncada kazerne in 1953.

Cuba revolutie Che Guevara
La Comandante Che Guevara


Granma

Op 2 december 1956 kwam het jacht Granma in Cuba aan, met aan boord de gebroeders Castro en 80 andere ballingen. De boot landde in Playa Las Coloradas, in de gemeente van Niquero. Na aankomst van het schip begon de groep rebellen hun tocht door het Sierra Maestra Gebergte in het zuidoosten van Cuba. Drie dagen na hun aankomst werden zij aangevallen door het leger van Batista. Daarbij werd een groot aantal rebellen gedood. Niet meer dan twintig van de oorspronkelijke tweeëntachtig mannen overleefden dit gevecht met de Cubaanse leger en ontsnapten in de Sierra Maestra Gebergte.
Tot de groep van overlevenden behoorden ook Fidel en Raúl Castro, Che Guevara en Camilo Cienfuegos. Zij vormden uiteindelijk de kern van het leiderschap van de guerrilla leger. Celia Sanchez en Haydée Santamaría (de zus van Abel Santamaria) behoorden tot de vrouwelijke revolutionairen die Fidel Castro bijsontden.

Basiskamp La Plata in Sierra Maestra

Tegen het einde van 1957 had Castro een vaste commandopost geïnstalleerd in La Plata, hoog in de gebergte van Sierra Maestra. Het basiskamp van M-26-7 is vandaag nog steeds te bezoeken. Vanuit de Sierra Maestra gebergte voerde Castro, geholpen door Frank País, Ramos Latour, Huber Matos en vele anderen, succesvolle aanvallen uit op kleine garnizoenen van het leger van Batista. Che Guevara en Raúl Castro hielpen Fidel om zijn politieke controle in de gebergte te consolideren, vaak door middel van het uitvoeren van executies van verdachte Batista loyalisten of andere rivalen van Castro. Bovendien vielen slecht bewapende ongeorganiseerde troepen, bekend als escopeteros, de troepen van Bastista lastig in de bergen en de vlaktes van de provincie Oriente. De escopeteros leverden ook directe militaire steun aan Castro's belangrijkste strijdkracht door aanvoerlijnen te beschermen en het delen van militaire kennis. Uiteindelijk kwamen de bergen onder controle van Castro.
Naast het gewapend verzet gebruikten de rebellen ook propaganda in hun voordeel. Het piratenradiostation Radio Rebelde ("Rebel Radio") werd in februari 1958 opgericht, waardoor Castro en zijn krachten hun boodschap landelijk binnen het vijandelijk gebied konden verspreiden. Deze radio-uitzendingen werden mogelijk gemaakt door Carlos Franqui.

Operatie Verano

De wapenembargo van de Verenigde Staten die in maart 1958 werd opgelegd op de Cubaanse regering droeg in grote mate bij aan de verzwakking van Batista's troepen. De Cubaanse luchtmacht verslechterde snel. Het kon niet zijn vliegtuigen repareren zonder de onderdelen uit de Verenigde Staten te kunnen importeren.
In mei 1958 stuurde Batista een troepenmacht van meer dan 10.000 man de bergen in om de rebellen uit te schakelen. Na diverse schermutselingen en de operatie Verano in de Sierra Maestra Gebergte leek op zondag 29 juli 1958 het tij bijna in voordeel van Batista te keren. Zijn troepen hadden tijdens deze slag bij Las Mercedes het kleine leger van Castro van ongeveer 300 mannen bijna vernietigd. Vastgezet door deze overmacht aan troepen vroeg Castro op 1 augustus om een tijdelijk staakt-het-vuren. Dit werd toegekend. In de zeven dagen daarop, terwijl de vruchteloze onderhandelingen plaatsvonden, wisten Castro's troepen geleidelijk uit de val te ontsnappen. Op 8 augustus had het hele leger van Castro de kans gezien om terug in de bergen te ontsnappen, en was Operation Verano voor de overheid van Batista op een mislukking uitgelopen.
Op 21 augustus 1958, na de nederlaag van Batista's ofensief, begon Castro's troepen hun eigen offensief. In de provincie Oriente verrichtten Fidel Castro, Raúl Castro en Juan Almeida Bosque aanvallen op vier fronten. Met nieuwe wapens die zij buit hadden gemaakt tijdens de Ofensiva en met het vliegtuig Cuba waren binnengesmokkeld boekten Castro's troepen een reeks overwinningen. Castro's belangrijke overwinning op Guisa, en de succesvolle inname van verschillende steden, waaronder Maffo, Contramaestre, en Centraal Oriente bracht de vlakte van Cauto onder zijn controle.
Ondertussen gingen drie troepen rebellen onder het bevel van Ché Guevara, Camilo Cienfuegos en Jaime Vega, naar het westen in de richting van Santa Clara, de hoofdstad van de provincie Villa Clara. Batista's troepen hadden de groep onder leiding van Jaime Vega in een hunderlaag gelokt en vernietigd. Maar de twee overgebleven troepen bereikten de centrale provincies, waar ze hun krachten bundelden met een aantal andere verzetsgroepen die niet onder het bevel van Castro stonden. De gecombineerde rebellenleger ging verder in hun offensief. Op 28 december 1958 overmeesterden Ché Guevara's troepen een gepantserde trein bij Santa Clara, en op 30 december 1958 behaalde Camilo Cienfuegos een een belangrijke overwinning in de Slag bij Yaguajay. Dit gaf hem de bijnaam "De Held van Yaguajay".

Santa Clara Cuba
Monument van de Slag bij Santa Clara


De Slag van Santa Clara

Op 31 december 1958 vond de Slag van Santa Clara plaats. De stad Santa Clara werd ingenomen door de gecombineerde krachten van Che Guevara, Camilo Cienfuegos en Revolutionaire Directorate (RD) rebellen onder leiding van comandantes Rolando Cubela, Juan ("El Mejicano") Abrahantes, en William Alexander Morgan. Nieuws van deze nederlagen zorgde ervoor dat Batista in paniek geraakte. Hij vluchtte binnen slechts enkele uren daarna op 1 januari 1959 uit Cuba naar de Dominicaanse Republiek. Comandante William Alexander Morgan, leider van de RD rebellen, bleef doorvechten toen Batista was vertrokken, en nam op 2 januari de stad Cienfuegos in.
Castro kreeg van Batista's vlucht te horen en begon daaropvolgend onmiddellijk met onderhandelingen om Santiago de Cuba over te nemen. Op 2 januari beval kolonel Rubido, de militaire commandant in de stad, zijn soldaten niet te vechten, en konden Castro's troepen de stad innemen. De strijdkrachten van Guevara en Cienfuegos trokken op 2 januari Havana binnen. Zij hadden op hun reis van Santa Clara naar de hoofdstad van Cuba geen tegenstand ondervonden. Castro kwam na een lange zegetocht op 8 januari in Havana aan en op 3 januari trad Manuel Urrutia Lleó als president van Cuba aan.
De periode daarop werd een merendeel van de Batista-aanhangers onder agenten en soldaten veroordeeld en geexecuteerd. Dit was een grootschallige poging van Castro om de veiligheidstroepen van tegenstanders te zuiveren. Castro richtte ook een revolutionaire militie op om zijn macht op basis van de voormalige rebellen en de steun van de bevolking uit te breiden. Tijdens de eerste tien jaar van zijn macht introduceerde de regering van Castro een breed scala van progressieve sociale hervormingen.

Betrekkingen tussen VS en Cuba: handelsembargo

De Cubaanse Revolutie was een cruciaal keerpunt in de betrekkingen tussen de Verenigde Staten en Cuba. Hoewel de Amerikaanse regering aanvankelijk bereid was om de nieuwe regering van Castro te erkennen, was er al snel de vrees dat de communistische opstanden zich zouden verspreid naar landen in Latijns-Amerika. En Castro nam daarentegen de Amerikanen kwalijk voor hun steun aan Batista tijdens de revolutie.
Nadat de revolutionaire regering in augustus 1960 alle woningen die eigendom waren van de Amerikanen, in Cuba nationaliseerde, bevroor de Amerikaanse regering onder president Eisenhower alle Cubaanse activa op Amerikaanse bodem, verbrak de diplomatieke betrekkingen en scherpte haar embargo van Cuba aan.
In 1961 heeft de Amerikaanse regering een gewapende contrarevolutionaire aanval op de Varkensbaai gesteund met als doel om Castro te verdrijven. Maar de contrarevolutionairen werden in korte tijd door de Cubaanse leger verslagen.

Naar aanleiding van het Amerikaanse embargo werd al snel de communistische Sovjet-Unie de belangrijkste bondgenoot van Cuba. In 1962 leidde de intentie om Russische Kernraketten op Cuba te stationeren tot de Cuba Crisis.

De Amerikaanse embargo tegen Cuba is nog steeds van kracht. Inmiddels zijn er in de afgelopen jaren een aantal pogingen geweest om het embargo te versoepelen en heeft de VS plannen aangekondigd om de betrekkingen met Cuba te normaliseren.



Meer informatie over Cubaanse Revolutie

  1. Camilo Cienfuegos
  2. Fidel Castro
  3. Che Guevera
  4. Celia Sanchez
  5. Fluegencio Batista
  6. Cubacrisis